Het leven en werken op de Willibrordusstichting tijdens de jaren ’60 – ’70 Deel 1

De Willibrordusstichting werd vroeger beschouwd als een aparte gemeenschap binnen de gemeente Heiloo, als een dorp binnen het dorp.
Dit is niet zo verwonderlijk want de psychiatrie in het algemeen en daarmee ook de Willibrordusstichting was vroeger een vrij besloten gemeenschap. Op zich toch wel bijzonder, omdat bij de keuze van de bouwplek de intentie was de patiënten zo dicht mogelijk bij de maatschappij te brengen. Tot de tijd van de bouw van de Willibrordusstichting was het namelijk gebruikelijk psychiatrische instellingen ver van steden en dorpen te bouwen.

Wasserij

Wasserij Willibrordusstichting

De “Stichting” was een gemeenschap die werd gekenmerkt door woon- en behandeleenheden, hoofdgebouw, keuken, wasserij, feestzaal en kapel. Bovendien was er ook een eigen wandelsport-, biljart- en voetbalvereniging.

Er is al veel geschreven over de ontstaansgeschiedenis van de Willibrordusstichting, haar behandelmethodes en de vooral bestuurlijke perikelen. Over het dagelijkse leven binnen de “muren” is echter niet zoveel bekend.
In dit artikel wordt geprobeerd een beeld te schetsen van het dagelijkse leven op de Willibrordusstichting een halve eeuw geleden.Het is een persoonlijk gekleurd relaas, omdat de auteur er in die tijd als leerling-verpleegkundige werkzaam was. Het betreft dus voornamelijk de periode 1961-1964. Voor de duidelijkheid zal hierna de religieuze broeder met “broeder” en de lekenverplegende met “verpleger” worden aangeduid. Wanneer een onderwerp betrekking heeft op zowel de broeder als de  verpleger, zal dit worden aangeduid met verplegende.

Nadat in 1928 de bouw van de Willibrordusstichting van start ging, arriveerden broeder Junianus en broeder Rochus  als de eerste broeders in Heiloo. Op 21 februari 1930 werd de eerste patiënt opgenomen. In de jaren zestig kwamen ook de eerste verplegers op de Willibrordusstichting werken. Verpleegsters volgden eind 1965. De Willibrordusstichting was in die periode voornamelijk een mannengemeenschap en ademde een rooms-katholieke sfeer.

Hoe zag de dag van een patiënt er toen uit?

Het dag-  en nachtritme van de bewoners verschilde weinig of niets van de mensen buiten de muren van de instelling. In het dagelijks leven waren er echter wel grote verschillen. In de “normale” maatschappij kon ieder mens zijn of haar leven naar eigen inzicht inrichten. Voor de patiënt was dit veel minder het geval. Een patiënt was in de meeste gevallen onderworpen aan de normen en waarden van de leidinggevende of zelfs aan die van een individuele verpleger of broeder. Gelukkig traden vooral collega’s en de eindverantwoordelijken, wanneer daartoe aanleiding was, corrigerend op ten aanzien van ongewenst gedrag van verplegenden.
Een dag van de verblijfpatiënt zag er doorgaans in grote lijnen als volgt uit:
Om zeven uur werden de patiënten gewekt door meestal twee verplegenden en moesten zij onder toezicht hun tanden poetsen, zich wassen en aankleden. In veel gevallen werd de slaapzaal dan op slot gehouden, omdat toezicht houden op 30 à 35 patiënten op zowel de slaapzaal als in de woonruimte niet haalbaar of verantwoord was. Als de meeste patiënten gewassen en aangekleed waren, werd de slaapzaal van slot gedaan en mochten de patiënten, na een grondige inspectie van hun uiterlijk, naar de woonruimte. Terwijl een verpleger de laatste patiënten uit de slaapzaal hielp, ging een andere verpleger (soms met hulp van een patiënt) het ontbijt voorbereiden. Na het ontbijt, om ongeveer negen uur, gingen de meeste patiënten naar de arbeidstherapie. De arbeidstherapie kende vele varianten. Er werden matten gemaakt, kleden geknoopt, boeken of tijdschriften ingebonden, wasknijpers, kerststalletjes en sjoelbakken gemaakt of kokosbeleg gewogen en ingepakt. Deze opsomming is slechts een greep uit het aanbod.
Tussen de middag werd er warm gegeten. Het eten werd vanuit de centrale keuken in grote ketels aangevoerd en vandaar uit rechtstreeks op de borden van de patiënt gedeponeerd. Uitgangspunt was daarin toch vaak dat het eerlijk verdelen van het eten meer centraal stond dan de behoefte van de individuele patiënt.
‘s Middags gingen de patiënten weer naar de arbeidstherapie.

Arbeidstherapie

Arbeidstherapie

Aan het eind van de middag werd er brood gegeten. Na het eten zakten veel patiënten onderuit in een luie stoel, zolang hiervan de voorraad strekte (hetgeen nogal eens tot conflicten en pikordes leidde), of gingen zij een stukje op het terrein lopen of televisie kijken. De patiënten die dit wilden gingen een spelletje doen met de verplegende. Het initiatief kwam hierbij bijna altijd van de verplegende. Die maakte meestal een keuze van het spel, niet zelden tot eigen genoegen, om de patiënt uit te dagen tot enige activiteit te komen. Biljarten, kaarten, dammen en schaken waren het meest geliefd.
‘s Avonds was de koffietijd voor veel patiënten een belangrijk moment want daarna mochten zij in een aantal gevallen de slaapzaal in en hun eigen bed (en dus het enige eigen privéplekje) weer opzoeken. De bedtijd werd uiteindelijk ook weer door de verplegende bepaald. Dit was nodig, omdat het belangrijk werd gevonden dat de nachtdienst een rustige situatie moest aantreffen en omdat verplegers graag op tijd naar hun kamer of naar huis wilden gaan.
De meeste patiënten brachten de nacht door op een grote slaapzaal zonder bedgordijnen. Van enige privacy was geen sprake. Het was vaak een heel concert van snurkers. Eventueel belangrijke spullen, zoals rookwaren of andere bescheiden, verborgen veel patiënten onder hun kussen of matras.
De medicijnen werden door de verplegende beheerd en tijdens de maaltijd uitgedeeld.
Het baden van de patiënten gebeurde volgens rooster: een keer per week alle patiënten op één dag of verspreid over vijf dagen.
Op de vrijdag- of zaterdagavond werd van alle patiënten de bovenkleding verwisseld en kregen zij een schoon overhemd, opdat zij er in het weekend netjes bij liepen. Op de zondagavond werd de weekendkleding weer omgeruild voor de doordeweekse kleding.
Zeker voor de verblijfspatiënt, bestond het dagelijks leven dus eigenlijk uit: opstaan – eten – werken / therapie – eten – werken / therapie – eten – recreëren – slapen. Dit alles bijna altijd onder toezicht van een verplegende.
Voor patiënten van de opname- en resocialisatieafdeling was dit hetzelfde, zij het dat er meer ruimte was voor de persoonlijke wensen en invulling van de dag, hoewel het dagritme was afgestemd op de behandeling en arbeidstraining. Ook werkten sommige patiënten buiten de instelling of op de sociale werkplaats aan de Oosterzij. Zij hadden doorgaans ook in hun vrije tijd meer privileges. Zij aten ’s avonds warm eten. Een ding stond vast: het leven van de patiënt werd bijna doorlopend volledig gereguleerd.

De rol van de verplegende in het dagelijkse leven.

Wanneer men het dagritme van de patiënten beschouwt, krijgt men ook inzicht in de werkzaamheden van de verplegenden.
De vroegste dienst begon om 07.00 uur en de laatste dienst werd beëindigd om 23.00 uur. Daartussenin bestond een grote variëteit van diensten. In veel gevallen betrof het gebroken diensten, waarbij men in de piekuren ‘s morgens drie à vier uren werkte, de middag vrij was en men ‘s avonds vier of vijf uur moest werken.
De verplegers die om 07.00 uur waren begonnen gingen tussen 08.30 en 09.00 uur ontbijten. Op plekken waar broeders werkzaam waren werden de dienstroosters van verplegers vaak afgestemd op de verplichtingen van de broeders. Dit gold ook voor de warme maaltijd ‘s middags. De werkroosters waren dan ook zeer variabel. Er was een zesdaagse werkweek van totaal 48 uur en meestal moest men tien (en soms door omstandigheden zelfs veertien) dagen achtereen werken.
Zodra de patiënten naar de arbeidstherapie gingen begonnen de huishoudelijke werkzaamheden. In deze periode waren er op de meeste afdelingen namelijk nog geen “huishoudelijke krachten” werkzaam. De bedden moesten worden opgemaakt, de badkamers, toiletten, wasbakken, keuken en woonkamer  opgeruimd en schoongemaakt . Deze werkzaamheden werden zo nodig ‘s middags voortgezet.
De middag werd vaak ook gebruikt voor groot onderhoud. Dit bestond meestal uit het lappen van bijvoorbeeld de vele kleine ruitjes van het Cornelius- of Vincentiuspaviljoen, het grondig reinigen van de vloeren en deze weer in de was zetten.

Corneliuspaviljoen

Corneliuspaviljoen

Zelfs het reinigen van plafonds hoorde soms tot de werkzaamheden. Het was een vies werk deze plafonds van de dikke laag nicotine te ontdoen (veel psychiatrische patiënten rookten veel) , zo vies dat dit werkje in de zomermaanden werd uitgevoerd op een stellage en in zwembroek. De nicotine droop tijdens het werk letterlijk met sop langs alle kanten van het lichaam omlaag. Deze activiteit gebeurde onder de nodige tijdsdruk want op het eind van de dag moesten de patiënten er weer in kunnen.
Het afwassen na de maaltijden en de koffie waren een dagelijks terugkerende klus (vaatwassers waren er toen nog niet), evenals het koffiezetten zelf (en er werd héél veel koffie gedronken). In situaties die daarom vroegen moest de verplegende de patiënt eten geven of hem daarbij helpen.
Op het einde van de dag vond (al dan niet in eigen tijd) de overdracht met de nachtdienst plaats en ‘s morgens herhaalde dit zich.
De kleding van de patiënt, die twee keer per week werd verwisseld, moest de volgende dag (dus altijd op de zaterdag- of zondagmorgen én elke maandagmorgen)  worden geïnspecteerd en zo mogelijk met de hand worden gereinigd. Indien dit niet mogelijk was moest de kleding gereedgemaakt worden voor verzending naar de stomerij.
De werkzaamheden van de nachtdienst bestonden op de eerste plaats uit een waakfunctie en het was soms moeilijk wakker te blijven. Sommige nachtelijke hoofdbroeders droegen aan dit wakker houden hun steentje bij door dit via een “sluipmethode” te doen. Dat wil zeggen: binnenkomen via ongebruikelijke routes en onhoorbaar bij je gaan staan. Daarbij beleefden sommige broeders er plezier in als je daarvan schrok. ‘s Nachts werden ook de samenvattende rapportages geschreven en werden meestal ook de medicijnen voor overdag ”uitgezet”. ’s Morgens, even voor zes uur, moest de nachtdienst in sommige gevallen de broeder wekken, opdat deze op tijd in de kerk zou zijn. Vooral hoofdbroeders sliepen vaak op een kamertje bij hun “eigen” afdeling. In veel gevallen moest ook het ontbijt van de patiënten worden voorbereid door het dekken van de tafels en het portioneren en beleggen van het brood.
Het leven van een patiënt en een verplegende leek misschien wat saai, maar voor een verplegende was dit beslist niet zo. Op de eerste plaats is het een mooie taak patiënten te begeleiden en te verplegen. Daarnaast volgde men een opleiding en waren er een tal van uitdagingen. Juist in dit tijdvak waren er veel verplegers die vonden dat het anders moest en kon. Het was de periode waarin gestichtskleding werd afgeschaft. Voor veel patiënten was dit  nieuw en begeleiding in hun keuze was een boeiende aangelegenheid, hoewel de kleding uit het magazijn in het hoofdgebouw (de plek van het huidige Archeologisch museum Baduhenna) werd betrokken.
Op het Corneliuspaviljoen werd bijvoorbeeld een winkeltje gecreëerd waar patiënten zelf een keuze konden maken uit snoep, rookwaren en dergelijke. Zij leerden vaak voor het eerst met echt geld omgaan. Het was ook de tijd waarin de patiënt werd geleerd tanden te poetsen en daarbij een eigen tandenborstel kreeg. Het leidde niet zelden tot taferelen die men bij het opvoeden van kinderen aantreft, maar dan toch wel even anders.
De massale badtijden of dagen (alle patiënten groepsgewijs op dezelfde dag) werden vervangen door een meer individuele benadering en meer privacy. Op plekken waar alle patiënten werden gewassen met vier sponzen en twee emmers groene zeep, werd met succes geijverd voor het gebruik van een eigen washandje, handdoek en stukje zeep. Waar dit mogelijk was, mocht de patiënt zijn eigen eten opscheppen vanuit schalen in plaats van dat een verpleger met één klap het eten op het bord smakte.

Keuken

Centrale Keuken

Patiënten werden ook steeds meer respectvol aangesproken en benaderd. Familieleden werden eindelijk aangemoedigd de banden met patiënten weer aan te trekken, nadat veel van deze banden bijna niet of nooit hadden bestaan of zelfs vanuit de instellingen waren ontmoedigd. De vernieuwingen werden niet zelden ingebracht door de verplegers. Dit ging niet altijd zonder slag of stoot onder het bekende motto: “We hebben het altijd zo gedaan en zo was het toch goed?!”
De komst van de verplegers werkte een normalisatie voor de patiënten in de hand, iets dat later bij de komst van verpleegsters en huishoudelijke krachten verder versterkt werd.
Natuurlijk werden ook verpleegkundige handelingen uitgevoerd als verbinden en injecteren. Ook het begeleiden van patiënten naar artsen of specialisten buiten de Willibrordusstichting behoorde tot de taken. Voor de broeders was het nieuw en vernieuwend dat er verplegers binnen de muren kwamen. Zij namen als het ware een stukje maatschappij mee.
Voor een aantal broeders was het een welkome ondersteuning bij de nodige vernieuwingsdrang die zij voelden en zij waren verplegers meestal zeer welgezind.
Op sommige afdelingen mocht je in diensttijd voor Stabilitas voetballen, mits de dienst dit toeliet en de tijd op een later tijdstip werd ingehaald.
Als een verpleger verkering had en deze moest reizen om naar zijn geliefde te gaan, mocht hij, ook hier als de dienst het toeliet, vroeger naar “huis”.
Het moment waarop de broeders het habijt  mochten inruilen voor een kostuum was memorabel. Sommige sprongen letterlijk een gat in de lucht, andere vonden het maar niets en vonden het letterlijk en figuurlijk een ontmanteling van het broederschap.
Tijdens de opleiding moest men ook creatieve handvaardigheden aanleren zodat men hier ook met de patiënten mee aan de slag kon.
In de dagelijkse praktijk waren de broeders in ieder geval goede leermeesters. Van vele kon je leren hoe een en ander moest, van sommige leerde je hoe het in ieder geval niet moest.

Broeders bij Mariagrot

De buitenwereld van de Willibrordusstichting.

In de beschreven periode was er voor de middenstand van Heiloo ook plek binnen de muren van de Willibrordusstichting. De opvallendste verschijning was waarschijnlijk wel Radio Bakker van de Kennemerstraatweg tegenover de stichting. Deze plaatste en repareerde de meeste televisies (toen nog zwart-wit) op de Willibrordusstichting en plaatste zo nodig ook een leenapparaat. De firma Ranzijn was de vaste leverancier van kruidenierswaren via het centrale magazijn, van waaruit de inkoop werd geregeld. Later was het Dick Groot (de latere directeur van de Grosmarkt) van  kruidenier Kroon op de Stationsweg die de eerste stappen zette om op afdelingsniveau producten te mogen leveren.
Café La Strada had goede klandizie van verschillende patiënten en verplegers en ook de heer Masclé van de sigarenwinkel op de hoek Kennemerstraatweg- Stationsweg trok tevreden klanten.
De Willibrordusstichting trok natuurlijk ook andere leveranciers aan. Vanwege haar omvang was zij een aantrekkelijk zakelijke partner.
De burgers maakten kennis met de Willibrordusstichting door het bezoeken van voorstellingen in de feestzaal of via de voetbalwedstrijden of voetbaltoernooien die er werden gespeeld. Maar veel verder reikten de kennismakingen met de Willibrordusstichting niet.

Masclé

Sigarenwinkel van Masclé, daarnaast de kruidenierswinkel van Dick Groot

Door buitenstaanders werd en wordt vaak de vraag gesteld of het wel veilig was voor verplegenden en bezoekers. Er kan gerust worden gesteld dat het achter de “muren” van de stichting niet onveiliger was / is dan daarbuiten. Als er sprake was van geweld lag dit meestal aan de beperking van de vrijheden of de machtsstrijd die sommige verplegenden meenden te moeten aangaan met de patiënt. De psychiatrische aandoening op zich leidde zelden tot agressie, hoewel dit soms ook wel voorkwam.
Op sommige afdelingen ging men eens per jaar met de patiënten naar een vakantiehuis in Vessem in Noord-Brabant. De verplegenden sliepen dan gewoon op zaal bij de patiënten!
Ook wordt tegenwoordig regelmatig de vraag gesteld of er ook (seksueel) misbruik bij patiënten plaatsvond. Bij de auteur zijn geen gevallen van misbruik van patiënten bekend. Dit wil niet zeggen dat dit niet voorkwam. Wel waren er wel eens verplegenden met losse handjes en werd er niet door iedereen respectvol met patiënten omgegaan. Verplegenden met “losse handjes” werden ter verantwoording geroepen en kregen in de meeste gevallen slechts één herkansing.

Het leren en werken op de Willibrordusstichting tijdens de jaren ’60 – ’70 Deel 2

De opleiding tot verpleger.

Het dagelijks leven en werken had voor leerling-verpleegkundigen nog een extra dimensie: de opleiding tot B-verpleegkundige. De lessen werden in diensttijd in blokken van vier of vijf werkdagen achtereen gegeven.
Dit gedurende drie jaar.De cursusduur was voor verpleegkundigen, die reeds een opleiding in een ziekenhuis met succes hadden afgerond, twee jaar.

Leslokaal

Leslokaal

De meeste verplegers gingen op de Willibrordusstichting werken om de opleiding tot B-verpleegkundige te kunnen volgen. Sommige van hen wilde alleen maar mensen verzorgen en namen de opleiding op de koop toe. Het B-diploma was een staatsdiploma dat het recht gaf tot de wettelijk beschermde titel van B-verpleegkundige, gelijkwaardig aan het diploma dat men in een ziekenhuis kon behalen (A-Verpleegkundige). Het diploma betrof een document en een speld met een zwart kruis dat overigens, formeel gezien, na overlijden van de bezitter aan de staat moet worden geretourneerd.
De veelal jonge mannen kwamen uit verschillende milieus. Sommigen kwamen uit een jongensinternaat of waren uitgetrede broeders of priesters in opleiding of zij kwamen uit een gewone thuissituatie. Na het schrijven van een sollicitatiebrief kregen zij een uitnodiging voor een sollicitatiedag. Dit betekende voor degenen die niet ‘s morgens om 09.00 uur op de Willibrordusstichting konden zijn, dat zij zich de avond tevoren moesten melden en een slaapplaats met ontbijt  kregen aangeboden. Op de sollicitatiedag kreeg men een gesprek met een leidinggevende broeder, onderging men een uitgebreide psychologische test, waarna een gesprek met de psycholoog volgde. Ook volgde er een medische keuring.
Als alles in orde werd bevonden volgde een aanstelling als leerling B-verpleegkundige.

Piet Lammers (re) Dick Slagter (li) tijdens pauze aan achterzijde Vincentiuspaviljoen

De jongeren (de auteur moest in dit geval nog 18 jaar worden) werden in het eerste studiejaar bijna altijd tewerkgesteld op een van de verblijfsafdelingen. Dit nadat een inschatting was gemaakt waar zij het best tot hun recht zouden kunnen komen. Dit waren in die periode de paviljoens Cornelius A en D, Cornelius B en C (toen zwakzinnigenafdelingen genoemd), Vincentius A en B, Aloysius, Jozef D (bedverpleging) en Augustinus. Op basis van gebleken kwaliteiten en leeftijd volgden in het volgende studiejaar meestal de andere afdelingen zoals Glorieux Boven (open opnameafdeling), Jozef B (gesloten opnameafdeling), Jozef A en Vincentius D (behandelafdeling) , Jozef C (ziekenafdeling), Glorieux Beneden en Vincentius C (resocialisatieafdeling). De verplegers hadden geen keuze ten aanzien van hun werkplek. (Dit gold in een later stadium ook nog lang voor gediplomeerden!). Het Pauluspaviljoen was toen al niet meer in gebruik voor patiënten.
De opleiding was er een van werken en leren. Het salaris bedroeg in 1961 slecht 59 gulden per maand, plus kost en inwoning. In het bedrijfsleven kreeg men toen al minimaal een salaris van 200 gulden per maand, dat als normaal werd beschouwd voor een 18-jarige.
De nieuwe en jongste leerlingen werden gehuisvest op de zolderkamers boven in het Aloysiuspaviloen, onder het toeziend oog van een religieuze mentor. De “oudere” leerlingen werden vooral gehuisvest op de zolderkamers van het Jozefpaviljoen en het Pauluspaviljoen. In het Pauluspaviljoen was ook de psychiater Dr. Wertenbroek met zijn gezin tijdelijk gehuisvest.
Verplegers die zich naar behoren gedroegen, dit naar oordeel van de religieuze mentor, mochten na enige tijd ook op het Jozefpaviljoen wonen. Een aantal oudere verplegers woonde in het dorp, alsook leerlingen die in Heiloo bij hun ouders woonden.
De eetzaal van de verplegers was op de eerste verdieping van het Aloysiuspaviljoen.

Recreatiezaal

Recreatiezaal

De recreatiezaal annex koffiepauzeruimte was gelegen op de benedenverdieping van het Aloysiuspaviljoen. De gediplomeerde verpleegkundigen hadden daar hun eigen koffietafel, waaraan de leerlingen niet of nauwelijks geduld werden; een soort pikorde die men ook in veel ziekenhuizen van die tijd aantrof.
De leerlingen kregen volgens rooster les in een lokaal boven de bibliotheek van het hoofdgebouw.
De lessen werden vooral verzorgd door de broeders Sergius en Beda (psychiatrische verpleegkunde) en Basianus en Rodriges (somatische verpleegkunde) alsook door Dr. Beek (psychiatrie en observatietechniek), Dr. Wijffels (psychiatrie), Dr. Wertenbroek (neurologie), Dr. Fabius (interne genees- en ziekteleer) en Drs.Dijkhuis (psychologie en sociologie).
Tijdens de opleiding moest je ook creatieve handvaardigheden leren, zodat je hiermee ook met de patiënten aan de slag kon.
Een opmerkelijk fenomeen was de godsdienstles en het daaraan gekoppelde godsdienstdiploma.
De theorie van deze lessen stond op een niet relevant hoog niveau en was bij de beroepsuitoefening  voor verplegers van weinig tot geen waarde. Een cursus medische ethiek en omgangsvormen had in dit kader van grotere waarde kunnen zijn geweest. Het probleem was echter, dat wanneer je dit diploma niet bezat, er ook geen eindexamen tot verpleegkundige mocht worden gedaan.
De opleiding van de Willibrordusstichting stond landelijk hoog aangeschreven. Iemand met een diploma, behaald op de Willibrordusstichting, kon bijna overal in de zorg aan de slag. Veel op de Willibrordusstichting opgeleiden bekleedden later een hogere, leidinggevende functie op de Willibrordusstichting of daarbuiten.

Besluit.

Dit artikel heeft vooral betrekking op het leven van de patiënten en hun zorgverleners, maar dit was natuurlijk niet alles. Op de administratie, in de keuken en binnen de technische dienst heerste ook grote bedrijvigheid. Dit gold ook voor de prachtige tuinen en het hertenkamp, zij lagen er dan ook altijd zeer verzorgd bij. Het spreekt vanzelf dat ook op het gebied van de logistiek een en ander gaande was. De “gele rijders” waren een vertrouwd gezicht. Zij zorgden ervoor dat met elektrisch aangedreven karretjes het eten, de kleding en andere materialen op tijd, op de juiste plek werden bezorgd.
In de centrale keuken werden de maaltijden voor de patiënten, broeder en verplegers bereid. Er was zelfs een dieetkok aanwezig.
Schilders, elektriciens, loodgieters en medewerkers van de linnendienst waren belangrijke raderen in het grote geheel. Zij kregen helaas niet altijd de waardering die zij verdienden.
De portiers in het hoofdgebouw en bij de poort van het Aloysiuspaviljoen (de andere poort was in die altijd afgesloten) droegen eraan bij dat er geen onbevoegden het terrein opkwamen en ze hadden een belangrijke signaalfunctie ten aanzien van ongeoorloofd vertrek van patiënten. Vanaf 23.00 uur waren alle toegangen / uitgangen afgesloten.
De administratie speelde een belangrijke rol bij het verkrijgen van de verpleeggelden en de uitbetaling van de salarissen en voerde ook andere registraties uit.
Niet alleen stond dit alles allemaal in dienst van de patiënten en was de Willibrordusstichting een van de grootste werkgevers in Noord-Holland, maar het bevestigde de reputatie van de Willibrordusstichting: het was een echt, levendig dorp binnen het dorp Heiloo.

(Bovenstaande tekst verscheen voor wat betreft deel 1 ook in de Heylooër Cronyck van zomer 2014)

Auteur: Dick Slagter

Dick Slagter © Copyright 2016