Geschiedenis van Heiloo
Introductie.

Heiloo ligt op korte afstand tussen Alkmaar en Castricum.
Het is dichtgelegen bij het Noordzeestrand en het Alkmaardermeer. Daarnaast heeft Heiloo goede verbindingen met Alkmaar, Heerhugowaard, Haarlem en Amsterdam.
De grenzen van Heiloo worden bepaald door Alkmaar, de Egmonden, Castricum, Limmen, Akersloot en de Schermer. De oppervlakte van Heiloo bedraagt ongeveer 2300 ha en wordt voor 2/3 omzoomd door bos en parken.

Het ontstaan van Heiloo

Het gebied waarbinnen Heiloo zich bevindt heeft één van de karakteristieke eigenschappen waarvan Nederland zo’n grote diversiteit kent: Heiloo is gelegen in een duinlandschap.
Dit duinlandschap is ontstaan in een tijdperk waarin de zeespiegel steeg.
Onder een kleine hoek met de huidige duinenrij tussen het Noordzeekanaal en de Hondsbosse-zeewering (die toen nog niet bestonden) ontstonden enige strandwallen. Op deze zandige en hoger gelegen gebieden ontstonden bewoningskernen waarvan Heiloo er één is.

Heiloo tot en met het jaar 1000

De naam Heiloo komt in de geschiedkundige literatuur en andere geschriften ook in andere naamaanduidingen naar voren zoals: Heilgalo, Helichelo, Heyligheloo, Heiligloo en Heylo.
Deze namen doen veronderstellen dat hier al in overoude, heidense tijden de priesters der Germanen Wodan en Freya dienden. Deze vereringen vonden meestal plaats op een open plek in het bos.
Heiloo betekent zo goed als zeker dan ook eigenlijk “heilig bos”.
Dat de naam Heiloo uit de 6e à 9e eeuw stamt, mag aannemelijk zijn omdat de uitgang “-loo”  taalkundig uit deze tijd stamt.

Er zijn echter andere aanwijzingen dat Heiloo in deze periode al bestond.
Aangenomen mag worden dat St.Willibrord, een christenprediker, met elf metgezellen tussen de jaren 719 en 739 de eerste kerk in Heiloo bouwde en het evangelie verkondigde op de plaats waar de Friese stammen hun afgoden vereerden. Hij bekeerde de bewoners, waarna de afgodsbeelden verdwenen en hun tempels een andere functie kregen, namelijk die van een christelijke kerk.
Het is zeer waarschijnlijk dat dit heeft plaatsgevonden op de plaats waar nu het huidige Witte Kerkje van Heiloo staat. Bij een onderzoek in de huidige kerkvloer zijn namelijk paalkuilen en houtwerk aangetroffen die duiden op een kerk uit het Karolingse tijdperk.
Deze waarschijnlijkheid wordt eigenlijk bevestigd in een oorkonde van 28 december 1063, waaruit blijkt dat de kerk van Heiloo en nog enkele andere moederkerken door St.Willibrord waren gesticht en door hem waren nagelaten aan de abdij van Echternach. Ten aanzien van het Willibrordusputje bij het Witte Kerkje is niet geheel zeker dat deze door St.Willibrord is geslagen. Zeker is wel dat het huidige putje uit de 16e eeuw stamt.

Hoewel de geschiedenis van Heiloo enigszins is te herleiden tot ongeveer het jaar 700, is het wel zeker dat op de plek waarop Heiloo is gelegen al veel langer is bewoond. Tussen Limmen en het Witte Kerkje zijn objecten gevonden die dateren tot 6000 jaar voor Christus.
Het wonen op de hogere gronden betekende niet alleen veiligheid voor haar bewoners, maar dit bood ook mogelijkheden voor landbouw. Scherfvondsten ten zuiden van het Witte Kerkje duiden op het bestaan van Romeinse nederzettingen van beperkte omvang.
De strandwal is tot ongeveer het jaar 300 bewoond geweest; over de periode van 300 tot 700 is nagenoeg niets bekend.
Bodemonderzoek heeft aangetoond dat de bewoning van de strandwal tussen 6000 voor Christus tot 700 niet permanent is geweest.Men heeft het gebied gedurende langere tijden moeten verlaten vanwege enorme stuifzanden of de stijging van de zeespiegel.

Dat Heiloo rond de 7e eeuw enigszins een belangrijk bewoningsgebied was, kan blijken uit het feit dat het Willibrorduskerkje een moederkerk was voor veel omliggende kerkjes.
Met de stichting van een klooster te Egmond in ongeveer 950 door Diederik II kwam langzaam maar zeker ook een eind aan de belangrijkheid van Heiloo omdat het onder de nadrukkelijke invloed van dit klooster lag.

Heiloo van het jaar 1000 tot het jaar 1880

Voor 1108 was de kerk van Heiloo geschonken aan het klooster van Egmond, terwijl in 1156 de officiële overdracht plaatsvond, inclusief alle dochterkerken, waardoor deze in het bezit kwamen van Diederik VI.
In 1465 werden alle bezittingen en inkomsten van de kerk van Heiloo opgenomen in het bezit van het klooster. Over de periode van de 9e tot en met de 15e eeuw is er niet zoveel bekend over Heiloo.
De komst van het klooster bij Egmond is ook in andere opzichten van betekenis geweest voor Heiloo.

De monniken van het klooster waren namelijk de eersten die de dijkbouw gestalte gaven, waardoor landbouw en veeteelt mogelijk werden.
Met vrij grote zekerheid kan worden aangenomen dat er in latere tijden graan werd verbouwd, want Heiloo heeft in ieder geval een korenmolen gehad, die in 1827 afbrandde. Deze molen was gelegen ten zuiden van het Witte Kerkje, ter hoogte van Ter Coulster.

De periode tussen 1200 en 1600 is allerminst een rustige periode geweest De Friezen en de Franken bestreden elkaar herhaaldelijk, terwijl de benden van Sonoy in 1573 in de strijd tegen de Spanjaarden het kerkje van Heiloo verwoestten, evenals de vele andere kerkjes in de omgeving alsook het kasteel en de abdij te Egmond. Het is niet onmogelijk dat de ruiterij van Don Frederik, de zoon van Alva, in Heiloo heeft geplunderd.
Het zijn deze roerige tijden geweest die geleid hebben tot de bouw van twee kastelen in Heiloo, te weten het slot Ter Coulster (ter plekke van het huidige landgoed) en het slot Ypestein (ter plekke van het psychiatrisch centrum St.Willibrord).
Het is niet bekend in hoeverre Heiloo is geplaagd door pest-, tyfus- en cholera epidemieën, evenals door de hongersnood in de jaren tussen 1500 en 1800, zoals in Egmond en Limmen het geval is geweest.
Het is ook in deze periode geweest dat de Heerlijkheid (dit was een plaats waar het overheidsgezag werd uitgeoefend krachtens eigen rechten) Oesdom, een gehuchtje tegen de grens van Limmen aan, werd toegevoegd aan Heiloo. Dit gebeurde op 17 juni 1509 bij een handvest van keizer Maximiliaan. Het gehucht Oesdom werd al in het jaar 1083 vernoemd.

In 1622 telde Heiloo 871 inwoners. De belangrijkheid van Heiloo was inmiddels tot minimaal gereduceerd onder invloed van de belangrijkheid van de stad Alkmaar.
Onder deze invloed en de veiligheid die deze stad bood daalde het inwoneraantal tot 455 in 1795.
Door de vorm van de geestrug werd Heiloo langzamerhand een langgerekt dorp.
In 1830 telde Heiloo 544 inwoners die tot die tijd voornamelijk leefden van de opbrengst van het graan en de veeteelt. Door deze veeteelt kwam in 1713 Oesdom in opschudding toen de runderpest uitbrak en men in de weerwil van de plakkaten naar de Runxputte ging om het heilige water te halen om zo genezing te vinden voor het vee.

In 1844 nam de verering van de Willibrordusput sterk toe, doch deze belangstelling verplaatste zich in 1880 naar de Runxputte te Oesdom.

Tussen de jaren 1865 en 1880 kwam de bloembollenteelt tot ontwikkeling, terwijl de verbouw van graan plaats maakte voor de teelt van groenten.

Dat de akkerbouw, bollenteelt en veeteelt van groot belang waren blijkt wel uit het feit dat in 1865 70% van de beroepsbevolking uit boeren en tuinders bestond (Heiloo telde toen 931 inwoners).
Deze ontwikkeling en de aansluiting van Heiloo op het spoorwegennet in 1867, deed de bevolking toenemen tot 1380 bewoners. Door de aansluiting op het spoorwegennet werd een vlotte afvoer van landbouwproducten en de aanvoer van mest per trein mogelijk gemaakt.
Daarbij kwam de invoering van de stoombemaling, die tot een betere beheersing van het grondwater heeft geleid.

In deze periode ontstonden ook Heerlijkheden die onder invloed stonden van een leenman. Een leenman was een vrije man, vaak edelen en ridders, die door de graaf als leenman werden aanvaard, nadat deze zijn heer trouw had gezworen. Zo werd in 1412 Heiloo door Willem van der Coulster als ambachtsheerlijkheid gekocht. Andere heren die Heiloo heeft gekend zijn Gerrit van Zuijlen-Nijevelt, Willem Cats en Willem Bardes.
Met de komst van huurlegers en stedelijke milities kwam een einde aan het leenstelsel.

Dat wil niet zeggen dat hiermee het bestaan van Heerlijkheden ophield. Heerlijkheden werden vooral gekocht door rijke, en dus meestal succesvolle kooplieden. In 1824 werd voor het laatst door Fonteyn Verschuur een leen gekocht in Heiloo en Oesdom. Fonteyn Verschuur zou later de eerste burgemeester van Heiloo worden.

In 1851 werd bij wet geregeld dat per gemeente een burgemeester moest worden benoemd. Daarmee kwam ook een einde aan het leenstelsel en dus ook de Heerlijkheden.

Heiloo van het jaar 1880 tot heden

Tot 1880 hield de relatie mens-milieu zich ook in Heiloo redelijk in evenwicht en paste de mens zich zoveel mogelijk bij de wetten van de natuur aan.
Dit evenwicht werd vanaf dit tijdperk verstoord door de intrede van de kunstmest en de stoommachine.
Het streekeigene werd doorbroken door uniformering in de bouw en door de bouw van meerkamerwoningen.
In de periode van 1879 – 1896 trad een vertraging op in de groei van Heiloo. Dit was te wijten aan de agrarische crisis die de streek in die jaren trof.
Vanaf 1900 nam het inwonersaantal van Heiloo weer toe tot 2834 inwoners in 1917
Dit kwam door de opbloei in het agrarische bedrijf. Deze opbloei was niet alleen de oorzaak voor de toename van het aantal inwoners.
In deze periode vestigden vooral ook rentenierende boeren uit West-Friesland zich in Heiloo, zodat zij per tram nog naar de Alkmaarse markten konden gaan die hen zo vertrouwd waren. Zij hadden Heiloo leren kennen tijdens de uitstapjes in de, voor Noord-Hollandse begrippen, bosrijke omgeving.
Omstreeks 1905 vestigden zich in Heiloo ook personeelsleden van de chocoladefabriek Ringers te Alkmaar. Dit en de komst van vele anderen heeft geleid tot de bouw van vele huizen.

Met de landelijke aanblik was het na 1917 gedaan. In 1930 waren er al 4546 inwoners waarvan er nog maar 37% werkzaam waren in de agrarische sector.
Met de ingebruikname van een station in 1931 verdween na de landelijke aanblik nu ook het landelijke karakter. Heiloo was een forensenplaatsje geworden!!!

Momenteel telt Heiloo meer dan 22000 inwoners; voor het overgrote deel zijn dit forensen.
Heiloo kenmerkt zich door overwegend laagbouw met in het centrum nog steeds fier het Witte Kerkje met de Willibrordusput.
Het geheel wordt voor ¾ omringd door een natuurgebied, terwijl Heiloo zelf ook veel groen kent.
Heiloo heeft een aantal goede voorzieningen zoals een volwaardig winkelcentrum (’t Loo) met daarin het Open Huis (een centrum voor het culturele leven van Heiloo), evenals enkele kleinere centra zoals ’t Hoekstuk, het stationscentrum en Ypestein. Ook het Trefpunt (eveneens een centrum voor het culturele leven) en het theater De Beun mogen niet onvermeld blijven.
Heiloo kent een bloeiend verenigingsleven en kent zelfs twee voetbalverenigingen die in de tweede klasse van de KNVB spelen. Er zijn twee voetbalcomplexen, hockeyvelden, meerdere tennisbanen, honkbalvelden, een atletiekbaan, drie sporthallen en een mooi openluchtzwembad.
In Heiloo  zijn ook bungalowparken en waren tot 2013 twee campings te vinden.
Daarnaast bevinden zich binnen de gemeente Heiloo enkele waardevolle en historische objecten zoals:

  • de Witte Kerk aan de Heerenweg,
  • het landgoed Ter Coulster ten oosten van de Kennemerstraatweg,
  • het landgoed Nijenburgh inclusief het Heilooër bos langs de Kennemerstraatweg,
  • het veenterreintje bij Het Die,
  • de wipwatermolen nabij het recreatiegebied aan Het Maalwater,
  • de voorzijde van het voormalig psychiatrisch centrum St.Willibrord en het daarachter gelegen Corneliuspaviljoen .
  • op verschillende plaatsen in Heiloo zijn fraaie beelden te vinden.

Het Heilooër bos is een monumentaal overblijfsel van een uitgestrekt bosgebied dat deze streek rijk was. Het bos geniet grote bekendheid door haar rijkdom aan paddenstoelen. Daarnaast vindt men er eiken, beuken, elzen, wilgen, esdoorns, prunussoorten, iepen, populieren en vele soorten wilde planten. Ook de dierenwereld is goed vertegenwoordigd.
Ondanks de bevolkingsgroei is Heiloo in velerlei opzichten een schoon dorp gebleven.

 

Auteurs: Adri en Dick Slagter

Copyright © Dick Slagter